Heeft u opmerkingen of vragen over de site? Leg ze voor aan de NAi webredactie.
Omslag en binnenwerk van de catalogus bij de tentoonstelling van de zes prijsvraagontwerpen in Museum Boijmans van Beuningen in 1988. Collectie: NAi.
Het ontwerpen van een architectuurmuseum is een prestigieuze opdracht. Het NAi stond als opdrachtgever voor een belangrijke keuze: wie moest het gebouw ontwerpen? Hoe wilde het kersverse instituut zich profileren? Om tot een keuze van een architect te komen, werd een meervoudige opdracht uitgeschreven: een prijsvraag waarvoor een beperkt aantal architecten werd uitgenodigd. Het NAi hoopte met deze procedure op verrassende uitkomsten.
'Voorkant karakter'
Het toekomstige architectuurinstituut zou vrijstaand worden gesitueerd in de noordelijke punt van het Museumpark. Het bouwterrein was ongeveer een hectare groot, maar mocht maar voor de helft bebouwd worden, zodat er ruimte overbleef voor de aanleg van een park. Omgeven door openbaar gebied staat het gebouw vanuit elke richting in het zicht. Daarom zou het aan alle zijden 'een voorkant karakter' moeten krijgen. De ligging en verschijningsvorm van het gebouw zouden bovendien een ordening moeten brengen in wat nu een rommelige enclave was met een onduidelijke functie. Het gebouw zou een aanzet moeten geven tot een aantrekkelijk stedelijk milieu.
> Het stuk grond waarop het nieuwe architectuurinstituut gebouwd zou moeten worden. Links ervan de Rochussenstraat, rechts het Museumpark, en op de voorgrond de Mathenesserlaan. Foto: NAi.
Paradox
De ontwerpopgave en het programma van eisen vloeiden voort uit het toekomstige gebruik van het bouwwerk. Het motto van het NAi was: De geschiedenis als bron voor hedendaagse ontwerpopgaven. De hoofdtaken waren het verzamelen, beheren en toegankelijk maken van archieven en collecties (inclusief bibliotheek), het bestuderen van dit materiaal en het volgen van actuele ontwikkelingen, en het uitdragen van de kennis die dit alles oplevert in de vorm van tentoonstellingen, publicaties en manifestaties. Het nieuwe gebouw werd gekarakteriseerd met de termen schatkamer, studeervertrek en feestzaal. Een groot deel van het gebouw was bestemd voor de opslag van kostbare archiefstukken die onder de juiste omstandigheden bewaard moesten worden in depots. Dat betekende dat het gebouw voor een groot deel een besloten karakter zou hebben. Tegelijkertijd moest het aantrekkelijk en uitnodigend zijn voor een groot publiek. Die paradox vormde een van de grootste uitdagingen in de ontwerpopgave.
Voorlopig ontwerp
De architect van het nieuwe gebouw werd gekozen aan de hand van een meervoudige opdracht. Dat wil zeggen dat een aantal architecten uitgenodigd wordt een voorlopig ontwerp te maken. Een beoordelingscommissie buigt zich over elk plan en beoordeelt ze op visie, programma, kosten en bouwtechnische aspecten. Daarbij wordt geen voorkeur of rangorde aangegeven. Aan de hand van de ingediende plannen maakt de opdrachtgever zelf een keuze. De reden om voor deze procedure te kiezen was, heel pragmatisch, dat er nog geen bestuur was dat direct een architect kon aanwijzen. Bijkomend voordeel was dat het verrassende resultaten kon opleveren. De verschillende ontwerpen maakten het mogelijk een tentoonstelling te organiseren en zo publieke belangstelling te wekken voor architectuur en ontwerpopvattingen. En dat was immers het doel van het nieuwe instituut.
Individuele kwaliteit
Toenmalig minister Elco Brinkman van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) was bereid de meervoudige opdracht en de tentoonstelling van de plannen te subsidiëren. Hij vond wel dat het accent moest liggen op de manifestatie van de Nederlandse architectuur, dus er mochten hooguit twee buitenlandse architecten worden uitgenodigd. Uiteindelijk viel de keuze op Benthem en Crouwel, Jo Coenen, Rem Koolhaas, Wim Quist, en uit het buitenland Luigi Snozzi en Ralph Erskine. Laatstgenoemde liet op het laatste moment verstek gaan, waarna zijn plaats werd ingenomen door de Nederlander Hubert Jan Henket. Individuele kwaliteit was voor de opdrachtgever een belangrijk selectiecriterium, maar ook moesten oudere en jongere architecten vertegenwoordigd zijn en moest de selectie verschillende stromingen representeren.
Besluitvorming
De uiteindelijke keuze van een architect is een complexe zaak. Op tafel van de opdrachtgever lagen niet alleen de zes ingediende ontwerpen, maar ook het rapport van de beoordelingscommissie, het advies van de stuurgroep, stukken van allerlei adviserende partijen zoals raadgevende ingenieurs, kostendeskundigen, de Rijksgebouwendienst en de medewerkers van het toekomstige NAi. In de (vak)pers was het ontwerp van Rem Koolhaas favoriet, ook die analyses werden bij de besluitvorming betrokken. Bij zo'n belangrijke opdracht, weliswaar verleend door een particuliere instelling, ligt het voor de hand dat ook de gemeente invloed wil uitoefenen op de architectenkeuze. De voorkeur van Riek Bakker, directeur van de Dienst Stadsontwikkeling, ging eveneens uit naar het ontwerp van Koolhaas, dat naadloos aansloot op de door haar zo gekoesterde lengteas in het Museumparkontwerp.
> Tekening van het ontwerp van OMA voor het NAi. Collectie: NAi. Archief OMAR.
> Prijsvraagtekening van Coenens ontwerp voor het NAi, 1988. Collectie: NAi. Archief MOAI.
Tijdloos repertoire
Het NAi maakte desondanks een andere keuze en verleende Jo Coenen de ontwerpopdracht. Uit de verklaring van het bestuur: "Het ontwerp van Coenen geeft een uitgesproken expressieve en gedifferentieerde uitbeelding van de instituutsfuncties. In de vormgeving van de bouwdelen is niet gezocht naar een uitgesproken modernisme, maar naar een tijdloos repertoire waarmee de evenwaardigheid van de geschiedenis en de actualiteit uit de instituutsformule ter zake wordt uitgebeeld." (Persbericht NAi, 3 oktober 1988). De bruikbaarheid, expressie en de verwijzingen naar de geschiedenis van de architectuur hadden de doorslag gegeven boven de conceptuele kracht van het ontwerp van Rem Koolhaas.
"Benthem en Crouwel hebben naar mijn mening het meest rustige en
evenwichtig, toch duidelijk originele ontwerp gemaakt."
> Lees meer...
"Het ontwerp van Quist heeft het meest 'Rotterdamse'
gebouw ontwerp, zakelijk, zonder tierelantijnen en andere gewilde en
op effect beluste vormen."
> Lees meer...
"Beste opdrachtgevers, laat Rem Koolhaas nu eindelijk eens een
monumentale opdracht krijgen. Dit gebouw heeft zelfs meer dan
internationale allure, het heeft betekenis."
> Lees meer...
In het Museumpark wordt een ondergrondse parkeergarage gebouwd, en het park
zelf wordt opnieuw ingericht. Het ontwerp van Yves Brunier en Rem Koolhaas
stuitte al bij oplevering in 1993 op kritiek, en die is in de jaren
daarna, toen het park in hoog tempo zijn glans verloor, alleen maar
toegenomen.
> Lees meer...
"Past in de omgeving, alsof het er al was, prettig. Je hóeft het niet
mooi te vinden, enkele andere ontwerpen dwingen dit af."
> Lees meer...