Het Rijksmuseum na de oplevering in 1885, naar een ontwerp van P.J.H. Cuypers, Architect der Rijksmuseumgebouwen. Foto uit: Het Rijksmuseum te Amsterdam, Collectie NAi.
Juni 2010 | Op 9 juni koos Nederland een nieuw parlement. De kleur en samenstelling daarvan is van een niet te onderschatten belang voor de wijze waarop stedenbouw en architectuur worden ingezet bij de inrichting van ons land. De overheid heeft de afgelopen honderd jaar uiteenlopende rollen gespeeld bij het inrichten en vormgeven van de ruimte. De collectie van het NAi laat niet alleen zien hoe individuele architecten ons land hebben gemaakt tot wat het is, ook de stempel die de politiek erop gedrukt heeft is zichtbaar. De invloed van de overheid op de architectuurpraktijk is op alle schaalniveaus van de collectie doorgedrongen.
Initiërende overheid
De Woningwet uit 1901 is de belangrijkste wet geweest voor de architectuur en stedenbouw in de twintigste eeuw. Het was, in een tijd die gedomineerd werd door liberale principes, het begin van de overheidsbemoeienis met wonen en huisvesting. De wet maakte het mogelijk de vele slechte woningen af te breken, en met gemeenschapsgeld de bouw van goede woningen te stimuleren. Door de woningwet kon het leefklimaat in de steden zowel op gemeentelijke als regionale schaal worden verbeterd. Het onteigeningsrecht werd ingevoerd, gemeenten waren verplicht om uitbreidingsplannen op te stellen met een beperkte bevolkingsdichtheid, en er kwamen rijkssubsidies voor volkswoningbouw.
Tussen 1915-1925 ontstond in Amsterdam een kwalitatief hoogwaardige volkswoningbouw, dankzij de onteigening van gronden voor Berlages Plan Zuid en subsidies op de volkswoningbouw. In de jaren dertig traden stedenbouwkundigen als C. Van Eesteren en J.M. de Casseres in overheidsdienst, belast met uitbreidingsplannen. Voor de Casseres lag de kern van de planologie in het samengaan van wetenschap en ontwerp. Een veelomvattend sociaal-economisch onderzoek (survey) vormde de basis van een plan waarin toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen vertaald werden in een ruimtelijk ontwerp.

> Boven: M. De Klerk en P. Kramer, woningbouwcomplex De Dageraad, P.L. Takstraat, Amsterdam, 1918-1923. Collectie NAi/KLER 0767.
Onder: J.M. de Casseres, stadsuitbreiding Eindhoven, 1930. Collectie NAi/CASS 227
De invloedrijke overheid
Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw daarna, kwam Nederland onder invloed te staan van de Duitse en later Amerikaans-Engels politiek-economische ontwikkelingen. De Duitse bezetter zette de regionale planning uit de jaren dertig verder door met de oprichting van de Rijksdienst voor het Nationale Plan (RNP, de latere Rijks Planologische Dienst). Een nationale planning die doordrong op lagere schaalniveau’s als provincie en gemeente.
Na WO II was de grootste opgave de wederopbouw tot stand te brengen en de woningnood het hoofd te bieden. De overheid was vooral bezig met grootschalige woningbouw en het stellen van kaders en stimuleringsregelingen om dit mogelijk te maken. Onder invloed van de ‘Pax Americana’ (de ordehandhaving van de VS na WO II), de Marshallhulp en de Koude Oorlog liet Nederland zich inspireren door Angelsaksische en Amerikaanse samenlevingen. Om de gevaren van de grote stad te bestrijden werd in Pendrecht de wijkgedachte (Neighbourhood-Unit) van Clarence Perry overgenomen. Volgens deze Amerikaanse stedenbouwkundige kon sociale verbrokkeling en massificatie worden tegengegaan door de bewoners in duidelijk begrensde ‘neighbourhoods’ onder te brengen. Daardoor zou een gevoel van geborgenheid en een rijk gemeenschapsleven ontstaan.
De overheid was in deze periode vooral opdrachtgever. De industrie ontwikkelde bouwmethoden en prototypen om betaalbare en kwalitatief goede massawoningbouw te realiseren. Architecten waren in gemeentelijke dienst en maakten uitbreidingsplannen of traden op als supervisor van een bepaald gebied om architectonische samenhang te bevorderen. De overheid reguleerde, formuleerde beleid en stelde financiële middelen beschikbaar, volgens de ideologie van de modernistische maakbaarheidsgedachte. 

> Boven: Van den Broek en Bakema, Lijnbaan Rotterdam, 1948. Collectie NAi/BROX 907t5
Onder: C. van Eesteren, Algemeen beplantingsplan Noord-Oostpolder, 1947. Collectie NAi/EEST 9-223
Overheid als stimulator
Sinds de 19e eeuw stimuleert de overheid architectonisch talent via onderwijs, prijzen en prijsvragen. Om kunstenaars te belonen en aan te moedigen stelde Lodewijk Napoleon in 1807 naar Frans model de Prix de Rome in. Na het aantreden van het kabinet Thorbecke, waar de opvatting gold dat de overheid zich zo min mogelijk met kunst diende te bemoeien, werd de prijs in 1849 afgeschaft. Koning Wilhelm III legde de prijs in 1870 echter weer officieel vast. De Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst zorgde er voor dat de wedstrijd om de Prix de Rome ook werd uitgeschreven voor de architectuur. De reis die aan de Prix werd verbonden was bedoeld om begaafde architecten een breder blikveld te gunnen, met bestemmingen als Rome en Italië, maar ook Scandinavië, Duitsland en Afrika.
Tijdens de wederopbouw kregen Nederlandse architecten een beurs van de overheid om studiereizen naar de VS te maken. Daar konden ze kennismaken met nieuwe gebouwtypen als winkels, warenhuizen, ziekenhuizen en groothandelsgebouwen. Architecten pasten deze opgedane kennis weer toe bij Nederlandse ontwerpen. Naast de Prix de Rome zijn inmiddels andere stimulerende prijzen ter beschikking gesteld, zoals de Gouden Pyramide, de BNA-kubus en de AM-NAi prijs.
Om het architectuurklimaat te stimuleren lanceerde de overheid in 1991 een architectuurbeleid, tegelijk met de eerste architectuurnota. In dit kader werden ook het Stimuleringsfonds Architectuur, het NAi, de postdoctorale architectuuropleiding van het Berlage Instituut en het fonds BKVB opgericht. Direct gevolg hiervan was het ontstaan van lokale architectuurcentra die het architectuurklimaat verder versterkten. Deze stimuleringsmaatregelen schiepen de ruimte om los te komen van de dagelijkse bouwpraktijk en om vernieuwende concepten te ontwikkelen. Er ontstond een nieuwe Super-Dutch generatie die in het kielzog van Koolhaas ook internationaal de aandacht trok. 

> Boven: A. Staal, foto genomen tijdens zijn Prix de Rome reis door Europa en Noord-Afrika, 1936. Collectie NAi/STAA f201
Onder: Omslagen publcaties. De Gouden Pyramide 2008 en Architectuurnota 1997-2000: de Architectuur van de ruimte.
Representatieve overheid
Architectuur is altijd een krachtig middel geweest van overheden om hun goede bestuur uit te drukken en het goede voorbeeld te geven. Met de bouw van stadhuizen, parlementsgebouwen, gerechtsgebouwen, herdenkingsmonumenten, rijksmusea en andere gebouwen voor cultuur presenteerde de overheid zich aan haar burgers. De vormentaal is meestal classicistisch en monumentaal met veel symboliek en traditionele machtssymbolen als wapenschilden en torens. Vooral bij grote opdrachten schrijven gemeenten een (soms internationale) prijsvraag uit. Nu gebeurt dat omdat een openbare aanbesteding verplicht is, vroeger om een zo hoog mogelijke architectonische kwaliteit te bereiken.
Een andere manier voor overheden om zich, ook internationaal, zo gunstig mogelijk te presenteren was deelname aan wereldtentoonstellingen. Het eigen paviljoen moest welvaart op het gebied van handel, industrie, politiek en cultuur etaleren. Het bood bovendien gelegenheid om internationale contacten te leggen en te versterken. Deelname aan de onlangs geopende wereldtentoonstelling in Shanghai is niet alleen een kwestie van prestige, het is ook een voorwaarde voor gunstige economische betrekkingen met China. 

> Boven: J.F. en A. Staal, prijsvraag Raadhuis Amsterdam, 1937. Collectie NAi/STAA t19
Onder: C. Weeber, maquette paviljoen Wereldtentoonstelling Osaka, 1970. Collectie NAi/MAQV 0576
Terugtredende overheid
De periode 1940-1970 kende een krachtig sturende overheid, die door wetgeving, beleid en subsidies richting gaf aan de woningbouw en Ruimtelijke Ordening. Achteraf bezien was dit een unieke periode: zowel voor 1940 als na 1970 liet de overheid veel meer over aan particulieren, zoals woningbouwverenigingen, projectontwikkelaars, burgers en bedrijven. Hoewel in de jaren vijftig architecten in samenspraak met gebruikers huizen gingen inrichten, vond de grote omslag plaats in de jaren zeventig. De opbouw van een welvaartstaat naar Amerikaans voorbeeld leidde tot verregaande democratisering van het maatschappelijk leven. Protesten tegen sloop en cityvorming leidden ertoe dat burgers inspraak kregen in de de besluitvorming.
Inspraak werd een beleidsinstrument van linkse colleges in de grote steden. Omdat architecten binnen de eigen gemeentelijke diensten nog niet klaar waren voor verregaande inmenging van burgers, benaderen stadsbestuurders architecten die niet in overheidsdienst werkten, en voorstander waren van inspraak, zoals Aldo Van Eyck, Piet Blom en Herman Hertzberger. Zij zagen inspraak als een instrument om de ontwerpopgave te kunnen aanscherpen. Ze sloten daartoe coalities met uiteenlopende maatschappelijke groepen. Dat had vooral effect binnen de stadsvernieuwing. Bewoners en architecten stelden zich gezamenlijk op tegen de overheid in hun strijd tegen stadsvernieuwingsprojecten en cityvorming.

> Boven: C. Nicolai-Chaillet, vrouwen worden voorgelicht over de inrichting van hun woning, jaren vijftig. Fotograaf onbekend. Collectie NAi/CORA f8
Onder: Protestaffiche tegen de bouw van de Stopera in Amsterdam, en voor sociale woningbouw, ca. 1982, Collectie NAi/SGWO
Nederland als marktstaat
Marktwerking in de architectuur is geen nieuw verschijnsel. In de negentiende eeuw al opereerde Cuypers in de Amsterdamse Vondelstraat als projectontwikkelaar door grond op te kopen en daar huizen op te bouwen en te verkopen. Ook in Rotterdam werd met particulier geld gebouwd, zoals de woningen in Blijdorp in de jaren dertig. In de jaren tachtig werd marktwerking echter dominant: de overheid hield zich als medebelanghebbende voornamelijk bezig met het toetsen van bouwactiviteiten aan de wet, het coördineren van diverse partijen en het verstrekken van subsidies. Ook architectonische kwaliteit was niet meer alleen een zaak van de overheid maar ook van projectontwikkelaars. Overheidsbeleid zoals de ontwikkeling van woonwijken op zo’n tien kilometer van stadscentra (VINEX), kreeg vorm door publiek-private samenwerking.
In de jaren negentig besloot de overheid om nog meer aan de markt over te laten door de privatisering van de woningbouwcorporaties en het stimuleren van eigen woningbezit.
Belangrijkste redenen daarvoor waren een groot overheidstekort en een economische recessie. Veel kritiek kwam er op de 5e nota Ruimtelijke Ordening omdat een totaalvisie van de overheid op de inrichting van Nederland ontbrak, zowel in nationaal als internationaal perspectief. De nota Ruimte (2006) vat in één zin samen waar de overheid voor staat: Decentraal wat kan, centraal wat moet. Hiermee werd de koers ingezet die nu nog steeds richtinggevend is: actieve gemeenten en provincies die op basis van eigen structuurplannen en ideeën samenwerken met marktpartijen. De Rijksoverheid beperkt zich tot de Ruimtelijke hoofdstructuur en heeft alleen een coördinerende rol, regelt afstemming en financiert de belangrijkste projecten.

> Boven: P.J.H. Cuypers, woning ‘Nieuw Leyerhoven’ aan de Vondelstraat 73, Amsterdam. Foto: A.T. Rooswinkel. Collectie NAi/CUBA ph106
Onder: MVRDV, woningen voor VINEX-wijk Ypenburg, 1998-2005. Collectie NAi
Toekomst: Geschiedenis als noodzaak
De laatste tien jaar is Nederland een marktstaat geworden. De rijksoverheid heeft op het gebied van de publieke sector (openbaar vervoer, energievoorziening, waterstaat, cultuur, gezondheidszorg en onderwijs) bezuinigd en private partijen zijn eigenaar geworden van deze voorzieningen. Er is een publiekprivate verwarring ontstaan waardoor onduidelijk is wat een burger nog van een overheid kan verwachten en wat de overheid tot haar taak moet rekenen. De problemen waar de nieuwe regering voor staat zijn niet gering: een slinkende energievoorraad, klimaatverandering, verrommeling van het landschap, milieuvervuiling en overconsumptie. Problemen die zo veelomvattend zijn dat oplossingen vaak op internationale schaal gevonden moeten worden.
In de afgelopen honderd jaar was dat niet anders, met een economische crisis, extreme armoede, twee wereldoorlogen, een enorme woningnood en een watersnoodramp. Maar de geschiedenis laat ook zien dat overheden er vaak in zijn geslaagd om voor zichzelf een passende rol te vinden. Bij de bestrijding van de naoorlogs woningnood was de organisatorische bundeling van wetgeving, beleid en financiële middelen een effectieve combinatie. Maar wanneer, zoals tijdens de stadsvernieuwing in de jaren zeventig, radicale vernieuwing nodig was, leidde een alliantie met private partijen tot de maatschappelijke gewenste resultaten.
De verkiezingen op 9 juni bieden kansen: aan burgers om aan te geven wat ze van de overheid verwachten, en aan de overheid zelf om te bepalen in welke rol en met welke allianties zij de ruimtelijke ordening van Nederland een effectief en duurzaam perspectief wil bieden. De geschiedenis in het algemeen en de collectie van het NAi in het bijzonder vormen daarbij een onuitputtelijke bron van inspiratie en wijsheid.
Deze tekst is een bewerking van het Cultuurcollege Architectuur en Politiek, dat op 21 mei 2010 in het NAi georganiseerd werd.
Tentoonstelling
17
november
2004
- 03
mei
2009
|
Vaste tentoonstelling| Het NAi bezit een van de meest belangrijke collecties van interieur,
architectuur, stedenbouw en landschap ter wereld. De permanente
tentoonstelling 'GeWoon Architectuur' (looptijd 2004-2009) onthulde deze rijkdom aan
tekeningen, maquettes en foto's.
> Lees meer...
Tentoonstelling
25
mei
2007
- 01
september
2007
|
Le Corbusier is veruit de beroemdste en volgens velen de meest belangrijke architect en stedenbouwkundige van de twintigste eeuw. In de tentoonstelling Le Corbusier - De Kunst van Architectuur (2007) presenteerde het NAi voor het eerst in de geschiedenis zijn complete oeuvre in origineel materiaal.
> Lees meer...
Tentoonstelling
19
juni
2004
- 03
oktober
2004
|
De zitkuil, het woonerf of het behang met weelderige patronen in de kleurencombinatie bruin-oranje-paars: typische voorbeelden van de jaren zeventig. Maar ook gebouwen als Hoog Catharijne in Utrecht, Centraal Beheer in Apeldoorn, Het Moederhuis in Amsterdam en de Meerpaal in Dronten hebben een toon gezet in het decennium met de hoogste bouwproductie in de Nederlandse geschiedenis. De tentoonstelling 'Woonerven en Zitkuilen, de Kritiese Jaren Zeventig' toonde in 2004 materiaal van architecten, kunstwerken, films en foto's uit en over deze periode.
> Lees meer...
Tentoonstelling
27
mei
2005
- 04
september
2005
|
De tentoonstelling 'Three Bays' was onderdeel van de 2e Internationale Architectuur Biennale Rotterdam en toonde een vergelijkend onderzoek naar vier eeuwen leven en bouwen aan de baaien van Tokio en Amsterdam en de lagune in Venetië.
> Lees meer...
Tentoonstelling
02
september
2006
- 14
januari
2007
|
De semi-permanente opstelling Van Cuypers tot Coenen, Architectuur en
landschap van Zuid-Limburg 1750-2050 verbeeldde de specifieke
architectonische cultuur van Zuid-Limburg als een voortdurende
confrontatie van traditie en vernieuwing.
> Lees meer...