Heeft u opmerkingen of vragen over de site? Leg ze voor aan de NAi webredactie.
Bezoekers van de buitenexpositie van de NWR-BouwRAI 1992 in Filmwijk, Almere. Collectie: Stadsarchief Almere
Augustus 2008 | Om bij de acquisitie van archiefmateriaal verantwoorde keuzes te maken worden acquisitieplannen opgesteld: verkenningen van periodes uit de architectuurgeschiedenis. Ze brengen in kaart wat de belangrijkste thema’s en ontwikkelingen waren, en wie de belangrijkste spelers. Op basis daarvan worden prioriteiten toegekend aan te verwerven archieven. De jaren tachtig brachten een grote productie op gang met een hernieuwde architectonische allure. De overheid bepaalde niet langer hoe Nederland eruit zou moeten zien, maar schiep de voorwaarden voor een levendig architectuurklimaat.
Lees het volledige acquisitieplan voor de jaren tachtig: De renaissance van het ontwerp 1978-1994
Ga naar het acquisitieplan voor de jaren zeventig: De geëngageerde jaren zeventig 1968-1979.
In het acquisitieplan beginnen de jaren tachtig in 1978, bij het verschijnen van Rem Koolhaas’ boek Delirious New York. Daarin pleitte Koolhaas voor de moderne metropool als inspiratiebron voor de nieuwe architectuur en stedenbouw, als reactie op het kleinschalige harmoniemodel van ‘bouwen voor de buurt’, dat in de jaren zeventig gemeengoed was geworden. Koolhaas bracht internationale allure in het voorheen nogal gesloten Nederlandse architectuurklimaat.
Een nieuwe generatie
Ook Carel Weeber ageerde tegen de ‘nieuwe truttigheid’ van de jaren zeventig. Het streven van Forum naar ‘een dorp als een stad’ had volgens hem het onderscheid tussen architectuur en stedenbouw vertroebeld. Hij pleitte ervoor beide disciplines weer duidelijk van elkaar te scheiden. Koolhaas en Weber waren de wegbereiders van een nieuwe generatie architecten die niet geloofde in het welzijnsdenken van de Forum-generatie en de simplistische koppeling tussen vorm en menselijk gedrag. De rationalisten onder aanvoering van Weeber bepleitten een ontwerptheorie en –praktijk op basis van gedegen studie van de geschiedenis van architectuur en stedenbouw als discipline. Dat betekende een radicale breuk met de stadsvernieuwingspraktijk uit de jaren zeventig, die niet op formele, maar op politiek-maatschappelijke gronden was gestoeld.
No nonsense aanpak
De opkomende economische crisis aan het begin van de jaren tachtig had voor ingrijpende veranderingen gezorgd. Het emancipatorische welzijnsdenken dat aan de basis had gelegen van het stadsvernieuwingsbeleid maakte noodgedwongen plaats voor een nieuw realisme. Het kabinet Lubbers (1982) bepleitte een no-nonsense aanpak gebaseerd op deregulering, privatisering en verregaande bezuinigingen in de collectieve sector. De emancipatie van de burger werd voltooid geacht en dus werd het tijd de aanbod-gerichte aanpak te verruilen voor een marktgerichte aanpak.
Levendig architectuurklimaat
Met het steeds verder terugtreden van de overheid uit de ruimtelijke ordening en volkshuisvesting verdween de vanzelfsprekende consensus over hoe Nederland eruit zou moeten zien. De speurtocht naar de wensen van de woonconsument en het verlangen naar architectonische kwaliteit leidde in de late jaren tachtig tot een levendig architectuurklimaat met een grote hoeveelheid publicaties, architectuurmanifestaties, festivals, prijzen, meervoudige opdrachten en openbare debatten.
Stimuleren en inspireren
De overheid was niet langer de grote regelaar. In plaats van directe bemoeienis met de inrichting van Nederland, werd gekozen voor een politiek van stimuleren en inspireren. In 1988 begon de overheid met een gericht architectuurstimuleringsbeleid, dat Nederland in de jaren negentig tot het internationale mekka van de architectuur zou maken. Minister Elco Brinkman van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur lanceerde de architectuurnota. Het Stimuleringsfonds voor Architectuur en het Fonds voor Bouwkunst en Beeldende Kunsten werden opgericht, evenals de Rijksgebouwendienst, het NAi en het Berlage instituut. Door de overheid gesubsidieerde stichtingen probeerden inhoudelijk tegenwicht te bieden aan de risicoloze, marktconforme benadering van projectontwikkelaars.
Het verleidelijke stadsbeeld
Deregulering en een meer markgerichte benadering zorgden voor een toenemende behoefte aan verleidelijke beelden en variatie, en daarmee voor een nieuwe impuls voor de architectonische discipline. Niet de openbare ruimte staat centraal, maar het gebouw. De stedelijke openbare ruimte kreeg ook wel aandacht, maar dan vooral het representatieve aspect ervan als onderdeel van het ‘verleidelijk stadsbeeld’. Het herinrichten van pleinen, straten en parken, vaak naar buitenlands voorbeeld, werd in de jaren tachtig een rage. Met spectaculaire facelifts zouden de stadscentra zich kunnen profileren als aantrekkelijke vestigingscentra, en zo de economische slagkracht van steden vergroten.
Typologische variatie
Ook de grote stedelijke uitbreidingswijken uit deze periode waren sterk gericht op het beeld en op typologische variatie. Vooral in de latere jaren tachtig werd door de steeds verdergaande liberalisering van de woningmarkt typologische diversiteit een belangrijk thema. Spraakmakend in dat opzicht was de Amersfoortse wijk Kattenbroek (1988-1994) van Ashok Bhalotra. Almere ontwikkelde zich tot een architectonisch en stedenbouwkundig laboratorium van Nederland. Vanaf 1982 ontstond hier als onderdeel van verschillende manifestaties een serie experimentele modelwijken waar de woonconsument zijn voorkeuren kon bepalen (De Fantasie, 1982; De Realiteit, 1986; Muziekwijk, 1990; Filmwijk, 1992). Hier werd de aanzet gegeven tot de grote typologische variatie die de woningbouw in de daaropvolgende jaren zou kenmerken.
Download Acquisitieplan jaren tachtig: De renaissance van het ontwerp
Augustus 2008 | Om bij de acquisitie van archiefmateriaal verantwoorde keuzes te maken worden acquisitieplannen opgesteld: verkenningen van periodes uit de architectuurgeschiedenis. De jaren zeventig blijken een eigenzinnig en experimentele periode uit de architectuurgeschiedenis te zijn geweest, in weerwil van het truttige imago dat ze hebben.
> Lees meer...
Tentoonstelling
12
februari
2004
- 31
mei
2004
|
De tentoonstelling START toonde stukken uit het Koolhaas archief van
het NAi. Het archief bevat het vroege Nederlandse werk van Koolhaas uit
de periode 1978-1994, met als hoogtepunten het Nederlands Danstheater
in Den Haag en de Kunsthal in Rotterdam. De tentoonstelling was
ingericht als 'open depot' van veertig projecten uit de periode
1978-1994. START vormde de opmaat voor de tentoonstelling CONTENT in de
Kunsthal die het latere werk van Koolhaas belichtte.
> Lees meer...
Het Nederlands
Architectuurinstituut (NAi) en Gispen dagen u uit een eigen “gewaagd” ontwerp
toe te passen op de ‘More or less chair’ van Maarten Baas.
> Lees meer...